Cate­go­rie: Land­schap

Inpas­sing in het land­schap

Het inpas­sen van de Rijn­land­Rou­te in de omge­ving is een uiterst com­plexe opga­ve.  Hoe ver­bind je een nieu­we weg met reeds bestaan­de wegen? En hoe zorg je dat de weg  past in het land­schap? Dat is een hele puz­zel. Onze belang­rijk­ste spel­re­gel: de nieu­we wegen en beno­dig­de aan­pas­sin­gen zijn altijd onder­ge­schikt aan het al veel oude­re land­schap

Zorg­vul­dig, op maat en sober

Bij het uit­wer­ken van de plan­nen waren dit steeds onze uit­gangs­pun­ten.

  • ZORGVULDIGHEID: voor elke aan­pas­sing is eerst uit­ge­breid onder­zoek gedaan: wat zijn de omge­vings­ken­mer­ken en wat de wen­sen van part­ners, zoals gemeen­ten en Staats­bos­be­heer. Bewo­ners kon­den tij­dens infor­ma­tie­avon­den input geven. Zo ont­stond er een land­schaps­plan met voor elke loca­tie een deel­plan op maat.
  • MAATWERK: bij elke tun­nel, brug, weg en fiets­pad kij­ken we goed naar de omge­ving. En naar de toe­kom­sti­ge gebrui­kers. Een tun­nel aan­trek­ke­lijk maken voor fiet­sers is anders dan een tun­nel aan­ge­naam maken voor auto­mo­bi­lis­ten. Een brug in een ste­de­lij­ke omge­ving ziet er anders uit dan een brug in een lan­de­lij­ke omge­ving.
  • SOBERHEID: voor de Rijn­land­Rou­te geen bont­ge­kleur­de bouw­wer­ken. We laten de aan­pas­sin­gen zoveel moge­lijk aan­slui­ten bij de omge­ving met oog voor licht, lucht, ruim­te en zicht­lij­nen. Zo voor­ko­men we ver­snip­pe­ring en ver­sto­ring van het open land­schap.
Dienst­ge­bou­wen

Bij de uit­ein­den van de tun­nel komen dienst­ge­bou­wen. Hier­in komen de instal­la­ties voor de ver­lich­ting, ven­ti­la­tie en sig­na­le­ring in de tun­nel. De bui­ten­kant hou­den we bewust uiterst beschei­den.

Zicht­lij­nen

Belang­rij­ke zicht­lij­nen, bij­voor­beeld in de Papen­weg­se Pol­der en de Oost­vliet­pol­der, hou­den we intact. Voor de weg­ge­brui­ker ont­staan ook nieu­we indruk­wek­ken­de uit­zich­ten. Zoals bij knoop­punt Hof­vliet (A4) met het uit­zicht van­af de fly-over op de molen Zel­den van Pas­se. Zicht op de omge­ving van­af de weg is pret­tig voor de ori­ën­ta­tie van de weg­ge­brui­kers. Van­uit Val­ken­burg is waar moge­lijk reke­ning gehou­den met vrij zicht over de weg, bij­voor­beeld rich­ting de dui­nen.

Deels een onzicht­ba­re weg

De toe­rit­ten naar de nieu­we tun­nel en een groot deel van de Ir. G. Tjal­ma­weg lig­gen ver­diept ten opzich­te van de omge­ving. Zo is dit deel van de weg zo min moge­lijk zicht­baar voor omwo­nen­den en recre­an­ten in het gebied langs de Ir. G.  Tjal­ma­weg. De wan­den van de ver­diep­te lig­ging van de  N434 komen niet hoger dan 10 cm boven NAP.  Een strook van riet aan weers­zij­den van de ver­diep­te N434 schermt het zicht op de weg nog meer af.

Geluids­scher­men

Om de geluids­hin­der te beper­ken, komen op ver­schil­len­de plek­ken geluids­scher­men. Zo’n scherm heeft een weg- en een bewo­ners­zij­de. Aan de weg­zij­de komen hagen, aan de bewo­ners­zij­de bos­plant­soen. Op brug­gen zijn de scher­men trans­pa­rant. Zo blijft het zicht op het water behou­den. Bij de Ir. G. Tjal­ma­weg laten we de geluids­scher­men zoveel moge­lijk samen­val­len met de wan­den van de ver­diep­te lig­ging, van­we­ge de land­schap­pe­lij­ke inpas­sing.